dinsdag 13 januari 2004

Brief van Sener aan zijn broer, ex-arbeider van Ford

Dag broer,

Hopelijk stelt gij en uw familie het goed en zijt ge de teleurstelling van Ford een beetje te boven. Ik hoop dat ge rap werk vindt want het is natuurlijk niet zo fijn om uw huis weer te moeten verkopen omdat ge het geld niet meer vind voor de afbetalingen. Maar ge weet dat het voor het zover komt altijd bij mij en Hasad moogt komen aankloppen. Hasad heeft tenslotte toch werk bij die car-wash en kan waarschijnlijk wel helpen als het moet. Met mij is het moeilijker natuurlijk, ik zoek al twee jaar werk maar vind niets. Of toch, ik vond dus wel werk (het is daarom dat ik U schrijf).

Ik wilde U vertellen dat ik vanaf morgen ga werken... bij Ford. Niet in Genk maar op het autosalon. (Spijtig dat gij nu juist werkeloos zijt geworden anders werkten we alledrie: gij, Hasad en ik nu allemaal in de automobielsector).
Ja, ik heb een job gevonden. Het is maar voor 14 dagen, maar alle begin is moeilijk, zeggen ze hier in België natuurlijk.
Mijn job is in de ’cleaning’, enfin, ik moet samen met nog een tiental andere Turken en Marrokanen, de hele dag in een wit pak met een plumeau (da’s zo’n stok met pluimen) en wat kuisproducten rondlopen op de stand van Ford. Vanaf dat er een plekje op de auto is moet ik dat opkuisen. ’Er mag van de hele dag geen vingerafdruk op geen enkele auto staan, ze moeten ’s avonds nog even hard blinken als ’s morgens’, zei de baas.

Ik hoop dat ge me toch eens komt opzoeken op de stand. Ik mag wel niet met het publiek praten, maar ik zal er wel een paar minuutjes kunnen onderuit muizen, denk ik. Achmed, die verleden jaar die job ook al deed, zei me dat die gasten van de stand (en de bezoekers ook trouwens) U niet eens zien staan en dat als ge u even wegzijt ze het niet merken. Ik moet dan wel zorgen dat een andere collega de plekken op de auto’s die ik moet doen even in de gaten houdt.

Wanneer ge komt heeft niet veel belang want ik moet toch alle dagen werken, dus ge ziet maar... Denk er wel aan dat er een paar moeilijke dagen zijn om te komen.

Morgen bijvoorbeeld is het persdag op het autosalon. Ge moet dan een perskaart hebben om binnen te geraken en ze kijken daar zeer streng op toe. Het kost natuurlijk ook veel geld en ze moeten toch een beetje uitkijken in de autosector nu dat het allemaal een beetje slecht gaat.
Achmed zei me dat de pers vanaf 8 uur wordt verwacht en getrakteerd op ontbijt en later een warm middagmaal, champagne, wijn, enz... En dat allemaal gratis. Ze krijgen dan ook van die zeer dure persmappen met foto’s en CD-roms vol met foto’s. Achmed is daar heel opgewonden over, ge weet dat hij alleen maar aan auto’s denkt. Hij denkt er wel hier of daar een te kunnen scheefslaan.

Morgenavond is er de grote opening met veel chic volk in smoking en cocktailkleedjes en niet te vergeten de prins die even van zijn Mathilde weg kan. Het schijnt dat alles wat iets betekent in de automobiel in België er dan is... buiten de arbeiders, zoals gij natuurlijk. Maar ja, van U weet ik dat ge geen smoking hebt en Afet geen cocktailkleed. En uw spitsbroeders van aan de band zullen dat ook wel niet hebben. Jullie zouden dan ook uit de toon vallen op dat grote feest. Maar goed ik mag daar toch ook niet binnen, dus troost U.

Ik heb wel gehoord dat er op het feest rare jongens rondlopen. Ze zijn van het ’Afrikaans Conservatorium’, een Brusselse serviceclub of zo, die zich amuseert door verkleed als ’zwarte koningen’ rond te lopen en aalmoezen op te halen voor arme kindjes, enz... Achmed zegt dan: ’uiteraard zijn giften boven de 25 Euro aftrekbaar van de belastingen, voor wat hoort wat’. Hij zegt ook dat het toch raar is dat ze geld geven en de gemeenschap daarvoor moet opdraaien. ’Waarom kunnen ze die 25 Euro nu niet eens aftrekken van de aan de aandeelhouders uitbetaalde dividenten ?’. Maar ja, ge kent Achmed, die heeft altijd kritiek op vanalles en nog wat.

Overmorgen is het ook al geen goeie dag, het is dan de grote dag voor de professionelen, zeggen ze op ’t werk. Dat betekent dat leasingmaatschappijen, bankmanagers en fleeteigenaars (dat zijn bedrijven die veel auto’s aankopen) op hun gemak op een rustige dag worden uitgenodigd. ’De champagne die er nog over is van toen de pers er was wordt dan opgedronken’, zegt Achmed dan.

De andere dagen zijn wel goed om eens te komen. Maar ge weet dat de weekends heel druk zijn, dus komt ge beter in de week. Maar denk er dan wel aan dat de 20ste en de 22ste januari de dag is voor de technische scholen. Die dagen zijn georganiseerd door de auto-industrie om de jeugd warm te maken voor een job in die sector, hebben ze mij gezegd. Ge ziet, ze geloven er zelf toch ook nog in hé ?

In de folder staat er trouwens: ’De automobielsector biedt een hele waaier aan boeiende en toekomstgerichte technische jobs. Spijtig genoeg zijn deze vaak onvoldoende bekend bij de jongeren met een passie voor techniek’.

Maar goed, het loopt dan hier vol jongeren die een quizz moeten oplossen. Ze kunnen dan met de klas prijzen winnen zoals bedrijfsbezoeken en zo. De leraars van die klassen kunnen zelfs een Mercedes-fiets winnen van zo’n 2800 Euro of een Peugeot-brommer van 2400 Euro. Kunt ge U dat voorstellen een fiets van Mercedes ? Ik dacht dat die alleen auto’s maakten. Het is wel veel geld voor een fiets, maar ja ’t is ook een Mercedes, hé.
Misschien kunt ge vragen bij de VDAB of ze U willen omscholen tot leraar, dan rijd ge misschien nog eens met een Mercedes ! ;o)

Maar goed, ge ziet maar wanneer dat ge komt. Laat mij vooraf wel iets weten zodat ik naar U kan uitkijken. En als ge toch komt dan, waarom zou ge dan al Uw vrienden van de Ford niet eens meebrengen dan. Ge hebt nu toch allemaal geen werk meer. Dat zou nogal wat zijn hé, met 3000 man van de Ford op het autosalon !

Salam Alaikoum,
Sener

zondag 14 september 2003

Ondanks toename van investeringen blijven Afrika en Latijns-Amerika arm

Vorig jaar kwam een einde aan de daling die de buitenlandse investeringen drie jaar lang kenmerkten. De VN-organisatie Unctad becijferde in het ’World Investment Report’ dat bedrijven vorig jaar 648 miljard dollar investeerden in andere landen.

 De groei is, met uitzondering voor Afrika, een wereldwijd fenomeen.Vorig jaar kwam een einde aan de daling die de buitenlandse investeringen drie jaar lang kenmerkten. De VN-organisatie Unctad becijferde in het ’World Investment Report’ dat bedrijven vorig jaar 648 miljard dollar investeerden in andere landen. De groei is, met uitzondering voor Afrika, een wereldwijd fenomeen.

 Enerzijds behouden, ondanks het feit dat de tien grootste dalers in de lijst van ontvangende landen industrielanden zijn, de Verenigde Staten hun leiderspositie als grootste magneet van buitenlands kapitaal. Ze worden gevolgd door Groot-Brittannië en China.

 Maar anderzijds gingen een derde van de investeringen in 2004 naar ontwikkelingslanden - het grootste aandeel sinds 1997. Al is de verdeling erg ongelijk, zowel mondiaal als regionaal.
De regio Azië en de Stille Zuidzee spant opnieuw de kroon wat betreft zowel volume als groei: 148 miljard dollar - een stijging met 46 procent. China is voor het zoveelste jaar op rij de grootste ontvanger van buitenlandse investeringen. China en Hongkong zijn goed voor tweederde van alle investeringen in Azië. "Je kan China nog steeds als een ontwikkelingsland zien", zegt Kell, "want er zijn in dat land nog grote gebieden die straatarm zijn. Buiten de steden leven nog een half miljard mensen in armoede."

Een belangrijke trend, de knik in de curve kunnen we wel stellen, is dat ontwikkelings- en transitielanden zich steeds meer aan overzeese investeringen wagen.

 Een steeds groter deel zijn immers Zuidzuid-investeringen, en dat is grotendeels te danken aan de Chinese queeste voor olie. China is immers niet langer enkel een magneet van buitenlands kapitaal maar investeert ook steeds meer in andere landen. Dat heeft uiteraard in de eerste plaats te maken met de groeiende behoefte naar olie. Chinese investeerders hebben zich op Afrika en Latijns-Amerika gestort om de velden daar te ontsluiten.

Afrika

 Franse, Nederlandse, Zuid-Afrikaanse en Britse bedrijven zijn de belangrijkste investeerders in Afrika. Die landen zijn samen goed voor de helft van de investeringen in het continent dat amper 18 miljard dollar aantrok - een status quo in vergelijking met 2003.

 In vergelijking met de andere regio’s in het Zuiden is Afrika terra incognita voor bedrijven. Afrika trekt amper drie procent van de wereldwijde internationale investeringen aan. Ook de groei is ondermaats. In vergelijking met 2003 steekt de Afrikaanse status quo af tegen de Latijns-Amerikaanse en Aziatische groei van 44 en 46 procent.

 Ook op langere termijn volgt Afrika de internationale trend van groeiende investeringen onvoldoende. De buitenlandse investeringen in Afrika stegen tussen 1994 en 2004 van acht naar twintig dollar per hoofd van de bevolking. In China alleen al investeren bedrijven nu 46 dollar per hoofd van de bevolking.

Het verschil is te verklaren doordat de Afrikaanse markten nog steeds bijna uitsluitend gericht zijn op de export van olie en andere grondstoffen. "Afrika trekt traditioneel investeringen aan naar enclaves die georiënteerd zijn op de export van basisgrondstoffen. Een export die weinig banden heeft met de rest van de economie", stelden de onderzoekers van Unctad eerder deze maand al in het rapport "Rethinking the Role of Foreign Direct Investment".

 Bovendien is de Afrikaanse groei niet duurzaam, zo blijkt uit het nieuwe rapport. De 18 miljard dollar investeringen van 2004 zijn grotendeels te danken aan de hoge olieprijzen. Olielanden als Nigeria, Angola, Equatoriaal-Guinea, Soedan en Egypte zijn de grootste magneten van buitenlands kapitaal. Samen zijn die vijf landen goed voor de helft van de buitenlandse investeringen in Afrika. Afrika is duidelijk geen prioriteit voor bedrijven. Als je de olie en de basisgrondstoffen wegdenkt, hou je niet veel meer over".

"Ik verwijs altijd naar Zambia", zegt George Djolov, de hoofdeconoom van de Kamers van Koophandel in Industrie van Zuid-Afrika. "Schitterende investeringscijfers in de jaren 70. Maar toen de koperprijs daalde, ging alles verloren."

Latijns-Amerika en de Caraïben

 Anders loopt het in Latijns-Amerika en de Cariben. Na vier opeenvolgende jaren van achteruitgang groeiden de buitenlandse investeringen in 2004 met 44% tegenover 2003. 68 miljard dollar: zoveel investeerden buitenlandse, vooral Amerikaanse en Europese bedrijven. Een stijging die, als is ze weliswaar 80 miljard dollar minder in absolute cijfers, niet moet onder doen voor de groei in Azië en de Stille Zuidzee.

In Brazilië en Mexico rinkelt de kassa het luidst - samen streken ze meer dan 52 procent van de investeringen op. Die landen, de grootste en meest volkrijke landen van de regio, investeren ook het meeste in de rest van de wereld. Mexicaanse en Braziliaanse bedrijven alleen al pompten 11 miljard dollar in het buitenland. In Mexico zijn cementgigant Cemex en het telecombedrijf América Móvil en in Brazilië het staatsoliebdrijf Petrobras de grote investeerders.

Dat er opnieuw geïnvesteerd wordt is goed nieuws voor bedrijven die international actief zijn in Latijns-Amerika en de Cariben. Maar ook hier hebben de cijfers voor de 224 miljoen armen en de 96 miljoen extreme armen in de regio weinig betekenis. "Buitenlandse investeringen zorgen op zich niet voor meer sociale ontwikkeling", zegt Tagi Sagafi-nejad, een Texaanse professor die lid is van het panel dat het rapport van de VN-organisatie Unctad gisteren in Mexico-stad voorstelde. "Of er een herverdelingseffect is, hangt rechtstreeks af van de rol die de overheid in elk land wil spelen", voegt Cristina Casanueva toe, een Mexicaanse professor die meewerkte aan de studie.

Als het op herverdeling aankomt, zijn er weinig regio’s in de wereld die slechter scoren dan Latijns-Amerika. In 2003 becijferde de Wereldbank in het rapport "Inequality in Latin America and the Caribbean: Breaking With History?" de ongelijkheid: de rijkste tien procent van de bevolking strijkt de helft op van het totale inkomen - de armste tien procent slecht 1,6 procent. "De ongelijkheid dringt door in elk aspect van het leven: het onderwijs, de gezondheidszorg, de overheidsdiensten, de landverdeling, de toegang tot krediet en jobs en de politieke invloed", stelt die studie.